De eerste echte kenmerkende beschaving in Toscane is echter die van de Etrusken. Daarvan wordt aangenomen dat ze rond 800 v. chr. een eigen cultuur ontwikkelden.
Ze maakten een bloeiperiode door tussen 700 en 400 vo. chr. en waren een intelligent volk. Dit blijkt uit de vele amfora's, dodengraven en gebouwen die ze nalieten. Na de Etrusken kwamen de Romeinen in Toscane. Ze namen tal van dingen over van de Etrusken op gebied van bouwkunde, statenkunde en religie.
De Romeinen stichtten nederzettingen in Toscane, waaronder Florentia, die later zou uitgroeien tot Florence. De Romeinen drukten hun stempel duizend jaar lang op Toscane maar toen het Romeinse Rijk viel was het gedaan met de welvaart. In de 500 jaar daarna behoorde Toscane toe aan o.a. de Longobarden, het Frankische Rijk en de Kerkelijke Staat.
In de 11e eeuw zette economisch en sociaal herstel door.
Pisa was in Toscane de eerste stad die tekenen van herstel toonde. De eerste dom werd in 1063 gebouwd. Textielindustrie en geldhandel kwamen met name in Florence en Siena tot ontwikkeling.
De stedelijke burgerij streefde naar stadsbestuur en wou dus onafhankelijk zijn van keizer en kerk. Tegen 1150 waren alle Toscaanse steden onafhankelijke communes. De burgers kozen de consuls en de volksvergaderingen. De Toscaanse commune was een stadstaat en omvatte het gebied van de stad en het land er omheen, contado (platteland). Door uitbreiding van de contado raakten steden met elkaar in conflict.
Zo veroverde Florence in de 12e eeuw het nabij gelegen Fiesole. Ook in de stadstaat zelf kwam strijd voor met name tussen de Guelfen, van Welfen = oud Duits geslacht en de Ghibellijnen, partij van de Hohenstaufen.
De Guelfen waren pausgezind en verbonden met het Franse koningshuis. In Florence, Lucca en San Gimignano overheersten de Guelfen.
De Ghibellijnen, in Siena, Pisa en Pistoia, waren trouw aan de Duitse keizer.
Dit alles leidde tot de aanstelling van een onpartijdige figuur, podesta, aan het hoofd van het stadsbestuur.
De podestà kwam vaak van buiten de commune en werd voor zes maanden benoemd met een vaste taakstelling.
De populo stelt een leider aan genoemd, capitano del populo, vergelijkbaar met de podestà. In de 14e eeuw raakte het volk geleidelijk de macht weer kwijt aan adel en magnaten. De macht komt in handen van een individu, signore of familie.
De verantwoordelijkheid voor het stadsbestuur lag vaak in zijn handen. In nog al wat gevallen ontpopte de signore zich als tiran.
In de 15e eeuw is de signore ingeburgerd.

De tijd van de commune was voor de meeste steden een periode van grote bloei. Handel, industrie en handwerk ontwikkelden zich. Deze tijd heeft op de meeste steden zijn stempel gedrukt. Er kwamen paleizen voor: stadsbestuur, podestà en capitano. De dom was het trotse symbool van de stad. Voor bedelorden werden kerken gebouwd. Rijke kooplieden stichtten kapellen. De adel liet woontorens en paleizen bouwen.
Bij zo veel rijke opdrachtgevers kwamen de kunsten tot bloei.
De bakermat van de Renaissance was de stad Florence, dat uitgroeide tot een van de belangrijkste steden van Europa en vele kunstwerken voortbracht. De stad kreeg een universiteit met als faculteiten: retorica of welsprekendheid, filosofie, astronomie, recht, medicijnen en literatuur. Bekende namen zijn: Dante, Petrarca en Boccacio. Petrarca was leraar in humanitas: retorica, grammatica, poesia, historica, filosofia en moralis. Maar ook in veel andere steden in Toscane zijn nog renaissancekunstwerken te vinden. In 1861 werd Italië verenigd en was Florence van 1865 tot 1871 de hoofdstad van Italië.
In WO II hadden de fascisten in Italië de macht onder leiding van Mussolini. Dit was een totalitair regime dat bevriend was met de nazi's uit Duitsland. Na de tweede wereldoorlog trad Italië toe tot de EU en is nu een democratische republiek.
